Schaap

een midwinterdagdroom

voorstelling  | speellijst  | recensies  | essay  | fotopagina  | persfotopagina  | educatief  | toneelschrijfprijs  | theaterafficheprijs

Gedachtegang essay bij ‘Schaap’

Sophie Kassies, januari 2005

Inhoudsopgave

alles is van mij
maar wie ben ik?
een koning, nee, een held
een stofje in de wind

waar woon ik
en met wie
en waar kom ik terecht?

heeft iemand mij gezien
als ik voorbij ben
of zal ik in het donker blijven?

zal ik iets zeggen?
ja
in welke taal?

Alles is van mij
Op Mijn computer staan Mijn documenten. Microsoft heeft dat tien jaar geleden bedacht. Alle duizenden en duizenden computers met Windows erop rollen zo de fabriek uit. Sinds 1995 is er veel meer van mij geworden. Op de website van de bank heb ik mijn eigen plek: mijn Postbank. Bij het ziekenfonds heb ik mijn Anderzorg. Bij de telefoonmaatschappij mijn KPN. Vier keer per jaar krijg ik van het kabelbedrijf UPC mijn factuur. ( Factuur betekent rekening. UPC probeert mij voor de gek te houden: het is natuurlijk hùn factuur, want ik moet hem betalen..)

In het gewone leven zit het zo: als iets van mij is, ben ik er de baas over. Ik ben natuurlijk helemaal niet de baas over mijn Postbank of mijn KPN. Eén druk op delete en ik ben weg. Ze zeggen dus maar wat. Toch krijg ik, zolang ik er niet over nadenk, het gevoel dat ik de baas ben. En, dat weet iedereen, de baas zijn is een lekker gevoel.

In winkels zeggen producten dat ze speciaal voor mij zijn. Dit for you en dat for you. Of 4u, als ze een beetje cool willen lijken. Natuurlijk gelooft niemand dat echt, en dat is ook niet de bedoeling. Iedereen weet dat al die zakjes, potjes, spuitbussen waar op staat dat ze speciaal voor jou zijn, net zo goed speciaal voor al die andere mensen zijn. Hoezo speciaal dan? Echt speciaal voor jou, dat is als iemand iets helemaal voor jou heeft gemaakt. Maar van zoiets bestaat er meestal maar één.

Er zijn ook producten die zeggen dat ik speciaal ben. Ze zeggen bijvoorbeeld dat ik ze moet gebruiken omdat ik het waard ben. Of omdat ik er recht op heb. Of omdat ik toch zeker niet wil zijn zoals de rest. Vooral dat laatste is grappig. Want de makers van het product willen graag dat heel veel mensen het kopen. Hoe meer, hoe beter. Misschien hopen ze dat de rest zo wil zijn als ik ben? Nee. Ze hopen dat niemand er erg over nadenkt. Gelukkig voor hen denken de meeste mensen er niet zo erg over na. En als ze het wel doen, zeggen ze bij zichzelf: ach, het is maar reclame.

Maar de mensen die de reclame verzinnen zijn geen sukkels. De reclamemakers die bedenken dat iets speciaal for me moet zijn, omdat ik zo speciaal ben, heel goed weten dat ik het, net als de meeste andere mensen, fijn vind om bijzonder te zijn. Niet zò bijzonder dat ik de hele tijd loop op te vallen. Maar gewoon net bijzonder genoeg. Precies in dat gevoel van bijzonder zijn willen ze me kietelen. Daar willen ze hun product aan vastknopen.

Maar wie ben ik?
Wie ben ik? is misschien de oudste vraag die mensen zichzelf hebben gesteld. Ik denk dat de allereerste mensen er al over nadachten. Dat er iemand heel vreselijk lang geleden al wakker lag, terwijl het vuur nasmeulde en de grote mensen lagen te snurken dat de grot ervan schalde. Dat die iemand naar buiten keek, naar de nacht en de sterren, en bij zichzelf dacht: maar wie ben ik? Wie of wat is het die over mezelf ‘ik’ zegt? Die iemand kon het antwoord niet geven. En van alle mensen die er sindsdien over hebben nagedacht, heeft niemand het antwoord kunnen geven.

Dat komt omdat elk antwoord weer een nieuwe vraag brengt. Het is alsof je in een doolhof loopt. Elke keer kom je opnieuw bij een kruispunt. Telkens als je denkt dat je een antwoord weet en je dat paadje inslaat, kom je weer bij een nieuw kruispunt – een nieuwe vraag. Ik kan bijvoorbeeld zeggen: ik ben Sophie, ik zie er zus en zo uit, en al mijn gedachten en gevoelens en mijn lichaam bij elkaar opgeteld, dat ben ik. Maar als ik dat paadje neem, dan kom ik uit bij: ja, maar ‘mijn gedachten en gevoelens’ wat zijn dat dan? Waar komen ze vandaan? Als ik me rot voel omdat iemand onaardig tegen mij is, is dat dan ‘ik’? Zijn mijn gedachten en gevoelens eigenlijk wel iets anders dan mijn lichaam? Enzovoorts.

Het verraderlijke van deze doolhof is, dat je, hoe je ook loopt, altijd weer bij het begin uitkomt. Hoe ver je ook loopt, welke weg je ook aflegt, altijd eindig je met: maar wie ben ik? Je komt er niet uit.

Hoe je begint te denken, hangt af van hoe je wilt kijken. Een dominee denkt misschien dat het ik de ziel is die door god aan ieder mens gegeven is. Een psycholoog zal het waarschijnlijk over bewustzijn hebben. Een socioloog heeft het misschien over hoe ieders ik bepaald wordt door de mensen om je heen. Een neuroloog kan zeggen dat je ik uit electrische stroompjes bestaat en uit stoffen in je hersenen. Maar hoe ze ook aan de doolhof beginnen, net als iedereen komen ze uiteindelijk weer bij het begin terug. Gelukkig maar dat de wandeling door de doolhof een mooie tocht is…

Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat ik steeds maar verander. Niet alleen omdat ik aldoor dingen meemaak en ouder word. Dat is nog tot daar aan toe. Nee: omdat ik in verschillende omstandigheden anders reageer. Het lijkt wel of ik een hele kast vol met ikken heb hangen, die ik de hele tijd moet verwisselen, zoals filmsterren de hele tijd andere jurken aan moeten doen. Als ik ’s ochtends op sta, ben ik nog niemand. Een knoedeltje klei waar iemand nog iets van moet kleien. Dan maak ik mijn kinderen wakker. En hup, daar heb je mij als moeder. Zodra ze naar school zijn, ga ik snel naar het station en ben een Amsterdammer op de fiets. Hé, daar heb je mij als treinreiziger. Op mijn werk ben ik schrijfster. En dit is nog maar een heel klein plukje van de ikken die ik ben vòòr de lunch. De hele tijd door ben ik natuurlijk ook een vrouwtjesmens – ik draag mijn ikken vaak over elkaar heen. Grappig is, dat mijn ikken verschillende talen spreken. Ze spreken allemaal Nederlands, maar ze gebruiken niet allemaal dezelfde woorden en hun tongval kan verschillen. Mijn ene ik – ik de Amsterdamse fietser – zegt wel eens k**. Mijn ik de schrijfster vind dat niet leuk.

Geen van mijn ikken ken ik. Ik kan niet voorspellen wat ik het volgende moment zal doen. Natuurlijk kan ik verwachten dat ik de dagelijkse dingen zo’n beetje hetzelfde zal doen. Want ik weet dat mensen gewoontedieren zijn. Toch is er waarschijnlijk maar heel weinig nodig om mij iets te zien doen waarvan ik niet dacht dat ik het kon. Er zijn veel verhalen van mensen die in een vreemde situatie volkomen anders reageren dan ze gedacht hadden. Zelf denk ik bijvoorbeeld dat ik een vreedzaam iemand ben. Ik hou niet van ruzie. Ik moet wel heel verschrikkelijk boos zijn voor ik ga slaan. Maar stel dat iemand mijn kinderen kwaad doet. Het zou goed kunnen dat er dan nog een ik blijkt te zijn dat ik nooit heb ontmoet. Het zou zomaar ik de moordenaar kunnen zijn.

Ik weet dus niet wie ik ben, noch wat ik is. Ik ben een heleboel ikken, maar ik ken ze niet. Toch zeg ik de hele tijd ‘ik zus’, ‘ik zo’, en ik heb echt het gevoel dat ik dan iets bedoel. Als andere mensen het over mij hebben, dan bedoelen ze ook echt iets. Maar hun lukt het net zo min om te vertellen wie ik ben.

Mijn vader zei eens: ‘Mensen denken van zichzelf dat ze vaste stof zijn. Dat is een vergissing. Ze zijn niet eens vloeibaar. Ze zijn gasvormig.’ Mijn vader was een wijze man.

Een koning, nee, een held
Je kunt ook kijken naar wat mensen met z’n allen denken over wie ze zijn. Naar wat hun ‘mensbeeld’ is. Het mensbeeld is in verschillende tijden en culturen steeds anders. In West-Europa is het lang bepaald geweest door het christelijk geloof. (Het is natuurlijk niet zo, dat alle mensen in een bepaalde tijd en cultuur precies hetzelfde mensbeeld hebben. Zelfs »»n mens heeft verschillende mensbeelden tegelijkertijd. Als je bijvoorbeeld denkt aan de mens als vervuiler van de aarde, heeft je mensbeeld een andere kleur dan als je denkt aan de mens die kinderverlamming kan voorkomen. Maar als je van ver weg door je wimpers heen kijkt, dan zie je de grote lijnen van wat mensen zo ongeveer dachten. Daar gaat het hier over.)

In de bijbel zegt god tegen de mensen, als hij ze net gemaakt heeft: ‘Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt.’ Dus: ‘zorg dat je veel kinderen krijgt, zodat op de hele wereld mensen wonen en er de baas kunnen zijn.’ God is dan al 5 dagen bezig geweest met scheppen. Nu is het dan de 6e dag en wil hij zijn mooiste schepsel maken, ‘naar zijn beeld’ – op hem lijkend dus. Hij maakt de mens. Op alle andere dagen bekeek hij steeds wat hij gemaakt had en zag dat het goed was. Maar op deze 6e dag kijkt hij en ziet dat het zeer goed is. De mens is de kroon op de schepping. Hij is koning op aarde. Zo hebben mensen lang naar zichzelf gekeken. Alleen god was hoger dan zij.

Op een gegeven moment begonnen mensen een beetje te twijfelen of dat wel helemaal klopte, dat de mens de kroon op de schepping was. Het bleek bijvoorbeeld, dat de aarde, die in het scheppingsverhaal het middelpunt van het heelal lijkt, helemaal niet het middelpunt is. Integendeel. De aarde is maar een planeet, die hulpeloos om de zon draait. Niet echt de plek waar je, als je god was, je allermooiste schepsel zou neerzetten.

Ze gingen nog een beetje meer twijfelen, toen ze verre reizen maakten en zagen dat mensen in andere culturen heel anders tegen de wereld en zichzelf aankeken.

En toen ze tenslotte hoorden, dat hun betbetbetbetbet…overgrootouders apen waren, bleef er niet zo veel meer over van de mens als koning op aarde. De mens was maar een van de diersoorten, door een serie vreemde toevalligheden ontstaan op een klein planeetje in een van de vele sterrenstelsels in het steeds maar uitdijende heelal.

Nu gebeurde er tegelijkertijd iets grappigs. De ontdekkingen die ertoe leidden dat de mens zichzelf niet langer als koning zag, maakten dat er dingen werden gevonden waarmee van alles kon dat daarvoor onmogelijk was. Hoe zou je aan ruimtevaart kunnen doen, als je niet hebt gesnapt dat de aarde om de zon draait? Dat is maar één klein voorbeeldje van ontzettend veel nieuwe ontwikkelingen die samen maakten dat de mens steeds meer kon. Ziekten genezen, rampen voorkomen, levens redden. Veel dingen werden steeds beter. Er was vooruitgang. En dat was aan de mens te danken. Hij was misschien geen koning, een held was hij beslist.

Er waren natuurlijk altijd al mensen die niet zo geloofden in die vooruitgang. Ze dachten: alles wat nu beter lijkt, pakt straks misschien verkeerd uit. Soms kregen ze gelijk. Toch zijn er dingen die echt beter zijn geworden. Denk maar aan hoeveel kinderen er vroeger doodgingen. Nu is dat in de Derde wereld nog steeds zo, maar het zou kunnen dat wij daarin verbetering kunnen brengen.

In de 20ste eeuw gebeurden er dingen die maakten dat de mens zichzelf ook niet meer als held kon zien. Zo waren er de twee wereldoorlogen, waarin miljoenen en miljoenen mensen doodgemaakt werden. Een held mag misschien soms slechteriken doodmaken, maar dit waren heus niet allemaal slechteriken. Ook merkten mensen langzamerhand hoeveel nieuwe problemen de vooruitgang met zich meebracht. Door alle ziekten die kunnen worden genezen, zijn er erg veel oude mensen. En wie moet er voor hen zorgen als ze het zelf niet meer kunnen? Door de fabrieken die alle spullen maken die wij zo graag willen hebben, raakt het milieu vervuild. Een echte held zou die dingen van tevoren bedacht hebben.

Ik denk dat de mens aan het begin van de 21ste eeuw niet meer zo overtuigd is van zichzelf. In sommige dingen is hij een held, maar in heel veel dingen een ontzettende kluns. Tegelijkertijd is hij knapper dan ooit. Al voor de geboorte kan een dokter kijken of een baby gezond is. Je kunt ook zeggen: of die baby zo wordt als de meeste baby’s. Maar stel dat de dokter ziet dat die baby nooit zo slim zal zijn als de meeste mensen. Moet die baby dan maar niet geboren worden? Ik weet het niet. Ik denk dat, of hij nou held of kluns is, zo’n vraag een on-menselijke vraag is.

Hoe wij onszelf ook zien, als kroon op de schepping of niet, we komen er niet onderuit onszelf als middelpunt te voelen. Zelfs als we, aan de hand van de wetenschap, kunnen aantonen dat we maar een toevalligheidje in een uithoek van de kosmos zijn, dan nog ervaren we dat niet zo. Want we kijken uit onze eigen ogen om ons heen. Als ik ophoud met kijken, bijvoorbeeld omdat ik dood ben, dan houdt alles op met er te zijn. We lijken een beetje op kleine kindjes, die denken dat ze zelf onzichtbaar zijn als ze hun ogen dicht doen.

Een stofje in de wind

Ik denk dat zo’n vaag gevoel dat in de lucht hangt over wat mensen kunnen invloed heeft. Als veel mensen geloven dat ze meer helden dan klunzen zijn; als veel mensen geloven dat er vooruitgang is, dan geeft dat een prettig gevoel. Precies dat prettige gevoel van de baas zijn, waar ik het al over had. Maar ja, dat is een beetje dom van ons. Want we zijn niet zo erg de baas. Je hoeft maar een beetje te fantaseren of de krant te lezen of om je heen te kijken om te weten dat we vaak net een stofje in de wind zijn. Was je net op weg naar het vliegveld om op wereldreis te gaan, botst er een auto tegen je op. Wou je net gaan trouwen, word je verliefd op iemand anders. Heb je een mooi nieuw huis, gaat het zo hard stormen dat het dak d’r af waait.

Het is maar goed dat wij zo graag willen kunnen willen. Dat we zo graag het gevoel hebben dat we de baas zijn over ons leven. Anders zouden we veel teveel nadenken over alles wat er zou kunnen gebeuren. Dan kon je beter in bed blijven met de dekens over je kop.

Toch is dat willen net zo’n lastig iets als mijn ik, waarvan ik niet weet wat het is. Als ik iets wil, lijkt het net of ik helemaal zelf heb gekozen om nou juist dat te willen en iets anders niet. Het lijkt of ik vrij ben om te kiezen. Ik weet niet of dat wel zo is. Als ik een boterham wil, dan komt dat waarschijnlijk omdat mijn lichaam aan mijn hersens laat weten dat het eten nodig heeft. Als ik een toneelstuk wil schrijven, ziet het er ingewikkelder uit. Er zijn heel veel meer dingen die maken dat ik dat wil. Maar als je er vanuit gaat dat alles wat gebeurt, voortkomt uit iets wat daarvoor is gebeurd, dan is mijn wil om een toneelstuk te schrijven waarschijnlijk ook voortgekomen uit wat daarvoor zit. Dat is een rare gedachte. Zou mijn toneelstuk dan al stiekem in de oerknal hebben liggen wachten? Dat kan ik niet geloven. Ik weet ook dat mijn wil niet uit het niets komt. Het moet er ergens tussenin zitten. Misschien zitten oorzaken en gevolgen niet zo strak aan elkaar vast en rammelt er net genoeg om een beetje zelf te kunnen willen?

Waar woon ik

Ik woon in de stad waar ik geboren ben. Voor steeds meer mensen is dat niet zo. Mijn zusje is naar Spanje verhuisd. Ze heeft een Spaanse man en Spaanse kinderen. Mijn andere zusje woont in Nederland. Zij heeft een Indiase man. Er zijn altijd mensen geweest die de plek waar ze geboren waren, verlieten om ergens anders te gaan wonen. Maar nog nooit in de geschiedenis was dat zo makkelijk als het nu is. Nog nooit gingen zoveel mensen ergens anders heen. De wereld is klein geworden.

Lang geleden waren de woorden wennen en wonen broers van elkaar. Waar je woonde, dat was waar je gewend was. Wennen duurt lang. Mijn zusje woont al vijftien jaar in Spanje, maar ze is nog altijd niet gewend. Ze zegt: ik word nooit een Spaanse, maar Nederlands ben ik ook niet meer.

Tegelijkertijd is de wereld groot geworden.(Sommige mensen zeggen hier ook klein in plaats van groot, maar volgens mij klopt dat niet.) Vroeger wisten mensen wat er in hun eigen dorp gebeurde, en in het dorp verderop, als er eens iemand kwam buurten, of als ze elkaar tegenkwamen bij de molen tussen die dorpen in. Van de dingen die ver weg gebeurden, hoorden ze veel minder en meestal duurde het een tijd voor die nieuwtjes doordrongen. Nu is het nieuws van de hele wereld bijna meteen bij iedereen. Een aardbeving in Iran, een vloedgolf in Azië? Als je het jeugdjournaal gemist hebt, hoor je het de volgende dag op school .

Over twee jaar wonen er op de wereld meer mensen in een stad dan op het platteland. In een stad leef je als eenling of met je naaste familieleden. Vaak kennen mensen in een stad hun buren niet, en zeker niet de mensen van een paar straten verderop. In een stad zijn veel mensen erg dicht bij elkaar, daarom doen ze hun best om afstand te houden. Let maar op hoe mensen elkaar niet aankijken in de tram of de bus. In de stad groet je alleen de mensen die je kent, maar in een klein dorp zeg je iedereen goeiedag die je tegenkomt en op heel veel plekken in de wereld zullen ze je ook nog vragen hoe je heet, wie je familie is, waar je vandaan komt en of je een kopje thee komt drinken.

Het is gek dat je verdrietig kunt zijn om een foto in de krant van iemand die dood is aan de andere kant van de wereld, terwijl je in de stad niet eens weet of je je eigen buurman de laatste weken nog hebt gezien. Misschien ligt hij dood te gaan in het huis naast je?

En met wie

Onze familieleden de apen wonen in groepen bij elkaar. Zo kunnen ze overleven. Een aap alleen kan dat niet. Apen houden goed bij wie welk plekje in de groep heeft. Wie de baas is. Wie vriendjes met wie is. Wie van wie het kind is. Ze hebben allerlei manieren om de verhoudingen in de groep te bewaren. Ze maken elkaars vacht schoon, ze vechten, ze spelen, ze vrijen. Mensen doen dat ook, maar dan een beetje anders. Dat komt, omdat mensen ook altijd beter hebben kunnen overleven in een groep. Iets dat in de evolutie zolang een regel is, zit verankerd in de genen. Zo komt het, dat oude mensen die nog veel sociale contacten hebben, gezonder zijn dan mensen die eenzaam zijn. Het is zelfs zo, dat een bejaarde met een huisdier vaak langer leeft dan een bejaarde zonder huisdier.

Veel apen zijn heel goed in samen iets doen. Ze kunnen iets dat veel andere dieren niet kunnen: gezamenlijk hun aandacht op iets richten. Mensen zijn daar nog veel beter in, omdat ze met elkaar kunnen praten. Samen iets doen is prettig en levert vaak meer op dan als je het alleen moet doen (met z’n tweeën kun je een zwaarder net met vissen in je bootje hijsen dan alleen). Mensen hebben elkaar altijd nodig gehad om dingen te doen. Maar in de wereld zoals hij nu is, lijkt het of we elkaar niet nodig hebben. We hebben machines voor werk dat moeilijk in je eentje te doen is. Wasmachines bijvoorbeeld om lakens te wassen.

Werkjes die vroeger iedereen een beetje deed, zoals de stoep vegen, worden nu door mensen gedaan die daar speciaal voor betaald worden. Wij vragen elkaar niet meer hoe je heet en wie je familie is, maar hoe je heet en wat je doet. Zo proberen wij, net als apen, uit te zoeken of iemand hoog of laag is in de groep.

In onze tijd zijn we steeds meer eenling aan het worden. Misschien doen mensen daarom graag aan sport. Dan doen ze tenminste weer iets samen.

Mensen van nu willen graag helemaal zelfstandig, helemaal de baas en van niemand afhankelijk zijn. Het is cool om populair te zijn, maar niemand nodig te hebben. Als veel mensen jouw vriend willen zijn, hoef je minder bang te zijn dat iemand je in de steek laat. Als je veel spullen hebt, hoef je nooit iemand anders iets te vragen. Je hoeft dus niet bang te zijn dat hij nee zegt. Ook veel geld hebben maakt je minder kwetsbaar. Als je dak lekt, laat je gewoon een dakdekker komen. (Als mijn dak lekt, pak ik een emmertje. Maar ik ben bang voor het moment dat het ergens anders ook gaat lekken, want zoveel emmertjes heb ik niet…)

Het is lekker om onkwetsbaar te zijn. Je voelt je veilig. Als je lekker veel hebt, dan kan je het lang uitzingen, zelfs als er onheil komt. Dat zit net zo van oudsher in onze genen als ons groepsgedrag. Zoals wij van zoete en vette dingen houden: dan word je fijn dik en heb je tenminste reserve voor als er een dag niks te eten is.

Het systeem van spullen maken en verkopen dat in onze wereld is gegroeid, sluit helemaal aan op ons verlangen onkwetsbaar te zijn. Omdat bij dat systeem hoort, dat er veel spullen gemaakt en gekocht moeten worden, moet ons verlangen naar onkwetsbaarheid bewaard blijven. Het moet dus steeds aangewakkerd worden, want als je zou denken: nou, ik heb alles, mij kan niets meer gebeuren, zou je minder zin hebben om spullen te kopen. Dat zou slecht zijn voor de economie. Daarom is er reclame en daarom worden de meeste spullen niet al te goed gemaakt, want dan zou je er natuurlijk veel te lang mee doen en nooit eens nieuwe kopen.

Nu is het natuurlijk een vergissing om te denken dat je onkwetsbaar bent, daar heb ik het net al over gehad. Het is zelfs nog gekker om te denken dat je onkwetsbaarder wordt als je veel spullen hebt. Want in feite word je met veel spullen alleen maar kwetsbaarder. Moet je nagaan wat er allemaal stuk kan gaan. Kijk maar wat er gebeurt als de electriciteit uitvalt. Al die electrische apparaten waarmee je je zo lekker veilig voelde in één klap waardeloos. En stom dat je je dan voelt! Maar de volgende dag, als er weer stroom is, ben je dat alweer vergeten.

Het is goed voor de economie als mensen eenling zijn. Want dan kun je veel verkopen. Niet één auto voor vier mensen, maar voor alle vier een eigen.

Ik denk dat het voor andere dingen niet zo goed is. Voor het milieu bijvoorbeeld. Maar ook voor mensen zelf. Wij kunnen er niet zo goed tegen om eenlingen te zijn. Wij willen ergens bijhoren. Bij een familie, bij een groep, bij andere mensen die dezelfde dingen leuk vinden.

Sterker nog: wij kunnen niet bestaan zonder anderen om ons heen. Mensen die helemaal in hun eentje opgesloten worden, worden ziek of gek. Ik heb de mensen om me heen nodig om te weten dat ik besta. Daarom is het bijvoorbeeld zo rot als iemand je negeert of buitensluit. Dan val je eigenlijk ter plekke uit elkaar. Dat heeft te maken met onze apengenen. Hoe ontzettend belangrijk het in de groep horen is, kun je in onze hersenen zien. Het stukje van je hersenen dat actief wordt als je wordt afgewezen door iemand anders, is ook het stukje dat opvlamt als je je pijn doet. En datzelfde stukje wordt actief als je je rot schrikt. Het is een plek in je hersenen die hoort bij echt bedreigd zijn in je voortbestaan.

Ons leven is dus tegenstrijdig. Aan de ene kant willen we eenling zijn, maar aan de andere kant willen we erbij horen. Die tegenstrijdigheid heeft altijd bestaan. Maar de eenling-kant heeft nooit zoveel accent gekregen als in onze tijd: door de manier waarop wij over de wereld zwerven, door de steden waarin we wonen, door het economische systeem dat we hebben opgebouwd.

En waar kom ik terecht?

Het is niet meer vanzelfsprekend dat je blijft wonen op de plek waar je geboren bent. Het is niet meer vanzelfsprekend dat je hetzelfde soort werk gaat doen wat je vader deed en je grootvader vòòr hem. Je familie maakt niet meer uit met wie je trouwt. Of en hoeveel kinderen je krijgt, is niet meer alleen van de natuur afhankelijk. Op al die terreinen mag je zelf kiezen hoe je je leven vorm geeft.

Dat is mooi. Vrijheid klinkt naar licht en ruimte, naar blauwe lucht en wapperen in de wind. Maar: mogen kiezen betekent moeten kiezen. En kiezen is moeilijk. Kiezen is al moeilijk als het over koekjes gaat. Daar staat het bord met de chocoladekoekjes. En daar het bord met de roomboterkoekjes met amandel. Als je alletwee lekker vindt, maar je mag er maar één, hoe moet je dan kiezen? Mmm, waar zou ik op dit moment het meeste zin in hebben? Weet je wat, ik neem die met amandel. Of nee, toch maar die met chocola. Okee, ik pak hem nu en neem een hap. Maar tussen het bord en mijn mond flitst het toch nog door me heen: nee! ik wou die andere! Niks meer aan te doen. Chocola is ook lekker.

En dan zijn dat maar koekjes.

Als je zelf de grote keuzes in je leven moet maken, dan ben je ook zelf verantwoordelijk voor de gevolgen. En die zijn niet te overzien.

Wij zeggen tegen elkaar: als je maar gelukkig wordt. Als we nadenken over hoe we ons leven moeten inrichten, dan mikken we op geluk. Als ik met deze persoon trouw, dan word ik gelukkig. Als ik dit vak leer, word ik gelukkig. Maar wat is dat, geluk?

Als ik het woord geluk hoor, betrap ik mezelf erop dat ik denk aan grootse, wondere momenten, hevig en meeslepend als een symfonieorkest, vergezichten en zonsondergangen. Pure kitsch. Maar als je me nou vraagt of ik gelukkig ben, dan ben ik gelukkig op een heel andere manier. Veel kleiner en saaier. Ik ben gelukkig omdat ik vaak blij ben dat ik aardige mensen om me heen heb, omdat ik leuk werk heb, omdat de mensen van wie ik hou gezond zijn en we allemaal te eten hebben. En dat soort geluk had ik misschien ook gevonden als ik hele andere keuzes had gemaakt.

Het vervelende van zelf verantwoordelijk zijn is, dat het je eigen schuld is als je niet gelukkig bent. Terwijl dat misschien helemaal niet ligt aan de keuzes die je gemaakt hebt, maar aan hoe je het leven opneemt. Hoe je verwachtingen waren. Of dat je maar blijft denken: had ik nou toch maar die met amandel genomen.

Andersom geredeneerd: omdat je vrij bent om te kiezen, moet je gelukkig zijn. Je eisen worden hoog. Ik ken iemand die al een hele tijd getrouwd is met een man die haar ouders voor haar hebben uitgezocht. Haar man en zij hebben het goed met elkaar. Ze dachten toen ze trouwden: we gaan zorgen dat het leuk wordt. Veel mensen die uit verliefdheid trouwen, beginnen met de gedachte dat het leuk moet zijn. Als het dan een tijdje niet leuk is – en dat gebeurt, hoeveel je ook van elkaar houdt – dan denk je sneller: foute keuze, laten we maar scheiden.

Je hebt wijze mensen die zeggen dat geluk helemaal in jezelf zit, in hoe je je leven op elk moment neemt zoals het is. Zij vinden dat alle ellende voortkomt uit al dat willen en verlangen en eisen en begeren van ons. Daar zit veel in. Maar kunnen kiezen is moeten kiezen. En ik zou niet weten hoe je moet kiezen zonder te verlangen.

Heeft iemand mij gezien

Zoals ik al schreef: ik heb mensen om me heen nodig om te weten dat ik besta. Ik heb het nodig dat ik gezien word. Dat ik een speciaal iemand ben. Het is grappig om je te bedenken dat wij dat zo belangrijk vinden, terwijl we zo ontzettend weinig verschillen van andere mensen. Maar toch wil ik het gevoel hebben dat er van mij maar één is.

Als je in een kleine groep leeft, kent iedereen je. Zoals in je familie iedereen je kent. Maar als je een moderne stadsmens bent, maak je vaak deel uit van een grote massa, waar niemand je kent. Dan raak je een beetje verscheurd. Aan de ene kant wil je niet te erg opvallen. Want opvallen is eng. Je weet nooit zeker of de anderen je leuk vinden, of een gestoorde gek. Aan de andere kant wil je laten zien dat er van jou maar één is. Dat laatste is moeilijk, want de dingen die je hebt om je te onderscheiden, je kleren bijvoorbeeld, komen allemaal uit grote fabrieken waar heel veel van hetzelfde wordt gemaakt. Je hebt een grote kans dat je iemand tegenkomt die dezelfde broek aan heeft als jij.

Een rare spiegel van dat uniek-maar-toch-net-als-de-anderen zijn, zie je in de manier waarop wij omgaan met bekende Nederlanders. Wij zijn dol op onze bekende Nederlanders, hoe stom ze ook zijn. Onze wetenschappers, onze kunstenaars, onze wijze mannen interesseren ons geen bal, want ze zijn niet op de televisie. Ze worden niet gezien. Maar onze bee-enners zijn het helemaal. En hoe gewoner ze zijn, hoe liever we ze hebben. Want hoe gewoner ze zijn, hoe meer wij kunnen denken: hij is net als wij = ik ben het.

Als ik voorbij ben

Als je in god gelooft, heb je minder last van die druk om gezien te worden. Want god ziet alles. Hij weet meer van je dan wie dan ook. Zoals het in de bijbel staat: hij weet hoeveel haren je op je kop hebt. In zijn ogen ben je altijd jouw unieke zelf. En omdat god eeuwig is en hij een beeld van jou heeft, ben jij ook eeuwig. Als je dood bent, wordt je bewaard in het geheugen van god. Dan hoef je nog niet eens in een hemel of een hiernamaals te geloven. Je weet dat je bewaard wordt als je voorbij bent.

Ik geloof niet in god. Ik denk dat ik weg ben als ik doodga. Ik word nog een tijdje bewaard in het geheugen van mensen die me gekend hebben, daarna misschien nog even in de verhalen die die mensen over mij verteld hebben, maar dan houdt het op. Het dooft uit, zoals de golven van een steen die je in het water laat vallen. Ik voel dat niet als iets verdrietigs. Dat komt misschien omdat ik kinderen heb. Voordat mijn kinderen geboren waren, had ik wel het gevoel dat ik mijn sporen op de wereld moest achterlaten. Dat mijn leven iets moest hebben betekend.

Omdat ik niet geloof dat ik voortbesta als ik dood ben, vind ik dat ik zorgvuldig moet leven. Ik moet proberen de mensen met wie ik toevallig tegelijkertijd op de wereld ben, niet in de weg te zitten, maar eerder van dienst te zijn. Ik vind dat ik me aardig moet gedragen en een beetje moet zorgen voor de plekken waar we met z’n allen leven. Als ik doodga, hoef ik niet trots te zijn op grote werken die ik tot stand zal hebben gebracht. Ik zou graag trots zijn op een vriendelijk bestaan.

Of zal ik in het donker blijven

De gedachte dat je leven iets moet hebben betekend, vind ik inmiddels een rare gedachte. Want natuurlijk heeft je leven iets betekend. Je was er, dus heb je iets betekend.

Als ik niet zo zou denken, zou ik er vanuit gaan dat je leven alleen iets betekend heeft als je beroemd bent geworden. Als je in aanzien hebt gestaan. Maar ik ken heel veel mensen die totaal niet in aanzien staan, maar die, op z’n minst voor mij, iets betekenen.

Als ik niet zo zou denken, zou ik in feite zeggen dat de ene mens – die beroemde – meer waard is dan de andere – die onbekende. Ik kan dat niet geloven. Ik zou namelijk niet weten waarom. De mensen die in het donker blijven, zijn niet meer of minder dan de mensen die in de schijnwerpers staan. Er is geen verschil in belangrijkheid tussen Wendy van Dijk en een mevrouw op het platteland van Togo.

Ik vind dat niet, omdat het goed staat om dat te vinden. Ik voel het zo. Maar ik weet dat veel mensen het anders voelen. Ik werk dit jaar voor twee toneelgroepen. Voor Sonnevanck en voor het Nationale Toneel. Sonnevanck staat minder vaak in de krant dan het Nationale Toneel, omdat Sonnevanck een jeugdtheatergezelschap in Enschede is. Het NT is een groot gezelschap in Den Haag. Bijna alle mensen aan wie ik vertel wat ik doe, zijn onder de indruk als ze horen dat ik voor het NT schrijf, terwijl ze een beetje vaag neerbuigend ‘goh, leuk’ mompelen, als ik vertel dat ik in Enschede werk.

Het zijn geen rotzakken, de mensen die zo reageren. Ze zouden zeker ook zeggen dat de ene mens evenveel waard is als de andere. Maar toch zit er in hun hoofd blijkbaar een rangorde. Alweer een overblijfsel uit onze tijd als aap.

Zal ik iets zeggen?

Het is duidelijk: ik vind dat wij in een moeilijke tijd leven. Mens zijn is sowieso al behoorlijk ingewikkeld, omdat je niet weet wie je bent en hoe je moet leven. Dat geldt voor alle tijden en dat gaat nooit veranderen. Dat geeft niks, want het is leuk dat het ingewikkeld is.

Maar het is extra moeilijk mens te zijn in de wereld zoals hij nu is. Vaak voel ik mij heen en weer geslingerd als een sok in een wasdroger door alle tegenstrijdigheden van onze tijd.

Veel mensen zijn bang. Bang omdat ze wel weten dat ze lang niet zo onkwetsbaar zijn als ze zich proberen te voelen. Bang dat arme mensen onze rijkdom komen afpakken. Bang dat wat wij belangrijk vinden zal verdwijnen, omdat er zoveel mensen zijn die andere dingen belangrijk vinden.

Zelf ben ik bang voor bange mensen. Bange mensen proberen, net als bange dieren, te vluchten, steun te zoeken bij elkaar, en/of te vechten.

Kijk naar hoe mensen de afgelopen jaren reageren op terreur – de aanslagen van 11 september; de moord op Theo van Gogh – dan zie je precies die reacties. Van de mensen die vluchten hoor je weinig: ze rennen hun huis in en houden zich gedeisd. De anderen zoeken steun bij elkaar: ze houden demonstraties en richten monumenten op. De vechtersbazen lopen daar vaak tussen. Die hoor je ineens zeggen dat het oorlog is. Oorlog is een gevaarlijk woord. Als je zegt dat het oorlog is, dan ìs het oorlog. Als ik zeg dat ik ruzie met jou heb, dan hebben wij ruzie, ook al wist jij daar nog niks van.

Het is duidelijk: ik weet niet zo zeker of wij de wereld en ons leven kunnen besturen. Ik geloof dat wij meer ronddobberen dan dat wij een koers varen.

Maar ik weet zeker dat mensen niet overgeleverd hoeven te zijn aan angst. Mensen kunnen denken. Dat vergt inspanning, want bij het bang zijn hoort dat je minder goed denkt. Je instinct om te vluchten, steun te zoeken en/of te vechten overstemt je gedachten. Maar je instinct kun je temmen. Hoe zou een brandweerman anders zijn werk kunnen doen?

Een brandweerman moet veel weten van brand, hij moet het hoofd koel kunnen houden en blijven nadenken, en dat moet hij oefenen, want zonder oefening lukt het niet. Om onze angst in de wereld van nu de baas te blijven, moeten we kennis hebben, het hoofd koel houden en nadenken, en dat moeten we flink oefenen.

Ik vind dat we daar weinig van terechtbrengen. De plek waar wij met z’n allen zouden moeten nadenken wordt gevormd door de media. Maar op een enkele krant na, wordt er in de media helemaal niet nagedacht. Er is geen rust om na te denken. Nadenken is niet snel, sappig en sexy. Nadenken is onderzoek, is kennis vergaren, is redeneren. Nadenken is dingen van de ene kant bekijken en van de andere kant. Soms weet je na een poos nadenken wat je van iets vindt. Soms kom je erachter dat je niet weet wat je vinden moet. Maar mooi dat je intussen geoefend hebt.

Een echt gesprek is een prachtige manier van nadenken. Wat zou ik graag echte gesprekken op de televisie zien. Maar ja, in een echt gesprek is het vaak een tijd stil, omdat er dan twee hoofden hard aan het denken zijn en even niks zeggen. En stilte op de televisie betekent wegzappen.

Ja.

In welke taal?

Een toneelstuk is ook een manier om na te denken. In het theater is het donker als in een hoofd. Personages praten met elkaar zoals gedachten met elkaar praten. Je ziet iets van de ene kant en van de andere kant. Tegenstrijdigheden kunnen tegelijkertijd bestaan. Net als in je hoofd doet je gevoel vanzelf mee. De dingen hebben hun eigen ritme en adem. Het mag stil zijn.

Gek genoeg: hoewel in het theater alles nep is, is het helemaal echt. De spelers doen alsof, maar ze liegen nooit. Het zijn echte mensen die wat ze doen echt op dat moment doen. Daarom is iedere voorstelling uniek. Er bestaat er maar één van, speciaal voor mij gemaakt.

Er is de voorstelling die gespeeld wordt. Er is de voorstelling die ik als toeschouwer zelf in mijn hoofd maak. Ook daar bestaat er maar één van. En hij is van mij.

Laten we veel met z’n allen in het donker zitten en niet bang zijn, maar nadenken.